Trouw | zaterdag 20 september 2014
Religie en Filosofie; Blz. 10, Emiel Hakkenes

De dienaar des woords is een dienaar van mensen geworden. Maar in een veranderende tijd gaat hij zijn vertrouwde gang: ziedaar de dominee anno 2014. tekst Emiel Hakkenes

Er zijn er meer dan drieduizend van, maar het archetype voldoet aan het volgende signalement: blanke man, rond de 55 jaar, gehuwd, met uitwonende kinderen. Hij is ietwat introvert aangelegd, werkt niet om aanzien te verwerven maar is wel trots op zijn werk. Hij beschouwt de Bijbel als het Woord van God, zonder het al te letterlijk te nemen. En als hij alles opnieuw mocht doen, zou hij zó weer voor dit vak kiezen.
Dat is het beeld dat naar voren komt uit een enquête onder dominees van de Protestantse Kerk in Nederland. De enquête is door de kerk verspreid onder actieve en emeritus predikanten en geestelijk verzorgers. Meer dan 1100 van hen vulden de vragenlijst in. Ter gelegenheid van haar tienjarig bestaan vroeg de kerk de predikanten en pastores naar hun drijfveren, ervaringen en verwachtingen. De resultaten worden vandaag gepresenteerd.
Het beeld dat de dominees van zichzelf schetsen is tamelijk zonnig: ze ervaren hun ambt in meerderheid als ‘een roeping’ waaraan ze gehoor geven. Het predikantschap geeft hen de mogelijkheid om anderen te helpen, en biedt intellectuele bevrediging. Om aanzien van anderen maalt de dominee niet, en 85 procent van de ondervraagden zou ‘waarschijnlijk’ of ‘zeker’ opnieuw predikant worden.
Tegelijkertijd wekken de ondervraagden ook de indruk dat ze sterk binnenkerkelijk georiënteerd zijn. Gevraagd naar de onderdelen van hun beroep waarover ze het meest bevlogen zijn, scoren voorgaan in zondagsdiensten en het leiden van huwelijken en begrafenissen het hoogst. Weinig animo is er voor jongerenwerk, diaconie en missionaire activiteiten. Op de vraag of hun gemeente groeit, antwoordt zo’n 85 procent van de dominees negatief.
De geringe bevlogenheid die de predikanten aan de dag leggen voor diaconaal en missionair werk is opvallend. Van alle respondenten noemt 8 procent diaconaal werk als favoriete aspect van het werk. Voor missionair werk – dat zijn activiteiten met als doel het evangelie uit te dragen – is dat 14 procent. Dat lijkt in schril contrast te staan met de nadruk die de landelijke kerk legt op juist deze thema’s. ‘Missionair kerk-zijn’ geldt sinds een paar jaar als de allerbelangrijkste taak van een protestantse gemeente. Op het kerkelijke hoofdbureau in Utrecht is een afdeling Missionair Werk & Kerkgroei in het leven geroepen, die voor de plaatselijke gemeenten materialen ontwikkelt en activiteiten bedenkt waarmee zij het evangelie kunnen uitdragen. Ook diaconaal werk ziet de landelijke kerk als een kerntaak.
Gaapt hier een kloof tussen het landelijke beleid en de plaatselijke praktijk? Niet per se, reageert scriba (landelijk secretaris) Arjan Plaisier van de Protestantse Kerk. Op basis van de enquête kun je volgens hem niet stellen dat de prioriteiten van de kerk door de dominees niet herkend worden. De praktijk leert volgens Plaisier dat missionair en diaconaal werk vaak door anderen dan de predikant worden gedaan. “Dat verandert niet zomaar. Wel is belangrijk dat predikanten een visie op dit werk hebben en het actief ondersteunen.”
De dominees die de enquête invulden, hebben relatief weinig contacten buiten de kerk. Moesten ze zich vergelijken met mensen in een seculier beroep, dan herkennen ze zichzelf in een gids of een coach. “Wat je hier ziet is de individualisering van het predikantschap”, zegt oud-hoogleraar Gerben Heitink. Hij publiceerde in 2001 een gezaghebbend boek over de geschiedenis van het predikantschap in Nederland van de zestiende tot de twintigste eeuw. “De dominee lijkt zich tegenwoordig meer te zien als een dienaar van mensen dan als een dienaar des woords. Hij zegt niet wat je moet denken of hoe je moet leven, maar treedt bescheiden op als een persoonlijk raadsman.”
Verder, zegt Heitink, wekken de antwoorden van de predikanten een nogal solistische indruk. “De dominee presenteert zich niet als voortrekker, als degene die de koers bepaalt. Aan de opbouw van de kerk laat hij zich weinig gelegen liggen.” De dominees, valt Heitink op, zijn juist erg bezig met hun eigen dingen: preken, begraven, huwen. Dat zij ondertussen zeer tevreden zijn over hun beroep, baart hem wel enige zorgen, bekent Heitink. “Want als ze allemaal gewoon hun vertrouwde gang gaan, is het de vraag of dat goed is voor de toekomst van de kerk. Wat weet je bijvoorbeeld van de samenleving als je zo weinig contacten hebt?”
Toch kun je dominees moeilijk kwalijk nemen dat ze zich concentreren op een aantal traditionele taken, vindt Heitink. “Vanwege geldgebrek bij hun gemeente hebben ze vaak maar een deeltijdaanstelling. Met basale werkzaamheden is de week zo vol. Waar blijf je dan met je missionaire activiteiten?”
Heitink vreest dat de predikant in een vicieuze cirkel terecht komt: weinig missionair werk betekent een verdere terugloop van kerkgangers, minder financiële mogelijkheden voor de gemeente, kleinere aanstellingen voor de dominees en dus nóg minder tijd voor verspreiden van het evangelie. “Ik zie het zelf: de drukst bezochte kerkdiensten zijn tegenwoordig uitvaarten.”
Er moet Heitink nog een ding van het hart: de dominees komen in de enquête nogal naar voren als ietwat introverte, studieuze types. “In het zakenleven zouden ze waarschijnlijk niet erg op hun plaats zijn. Het zijn typische alfa’s.”

Naam: Lennart Aangeenbrug
Leeftijd: 35
Standplaats: Hervormde kerk Well-Ammerzoden
“Ik kan me voorstellen dat predikanten niet veel buitenkerkelijke contacten hebben. Het gaat om keuzes maken in dit vak, we kunnen niet aan alles evenveel tijd besteden. Een predikant heeft het vooral ‘s avonds druk en als ik me ergens aan ga verbinden ben ik weer een avond kwijt. Dus voor mij geen politiek of voetbalclub. Ik wil ook tijd besteden aan mijn gezin. Bij mijn aanstelling werd mij gevraagd of ik het contact met het kleine dorp Well-Ammerzoden wilde uitbreiden. Dat is een opdracht die ik van de kerkenraad en gemeente krijg. Ik heb daardoor best wat spontane contacten met niet-kerkelijke mensen. Als catechisatie is afgelopen loop ik vaak door naar de biljartclub. Daar zitten wel twee of drie gemeenteleden, maar de rest is niet kerkelijk. Er komen aardig wat niet-kerkelijke mensen met geloofsvragen op me af, bijvoorbeeld rond een begrafenis. Elke predikant moet een gevoeligheid ontwikkelen voor mensen die ergens mee zitten. Dat geldt voor binnen en buiten de kerk. Daar moet je geen verschil in maken. Wat er in het dorp gebeurt, probeer ik mee te nemen in de dienst. Een keer waren er 200 schapen gestolen bij een boer, daar doe ik dan voorbede voor.”interviews Germieke Smits

Naam: Anne-Meta Kobes
Leeftijd: 27
Standplaats: Protestante wijkgemeente Heerenveen
“Ik vind het sterk dat mijn collega’s dit zeggen. Trots zijn op wie je bent is belangrijk in dit werk, het is goed om te benoemen dat het waardevol is wat je doet. Het is een goede ontwikkeling vergeleken met tien jaar geleden. De kerk werd steeds stiller maar nu kruipt ze meer uit haar schulp. We hebben als kerk iets bijzonders, we drukken een bijzondere stempel op de maatschappij. Maar natuurlijk moeten we niet naast onze schoenen gaan lopen. Zelf ben ik er trots op dat ik predikant mag zijn. Ik vind het mooi dat het mijn beroep is om fulltime met mensen op te trekken. Zonder verborgen agenda en andere doelen, zonder overheidssteun. Ik ben niet per se trots op een goede preek. Wel als ik anderen er mee enthousiasmeer. Ik ben ook trots dat ik als 27-jarige predikant ben van een grote gemeente. Het is fijn om dat vertrouwen te krijgen. In mijn wijk zijn ruim 900 mensen lid van onze kerk. Daardoor ben ik wel eens bang dat ik mensen over het hoofd zie. Ik ben er heel erg trots op dat we een open gemeente zijn. We hebben nu een kinderkoor en het was meteen duidelijk dat dat open zou zijn voor heel Heerenveen. Ik ben trots op de vrijwilligers in de kerk en ik vind dat ze dat ook op zichzelf mogen zijn. Veel kerkleden zijn tweeverdieners en hebben het druk, maar ze kijken verder dan hun eigen gezin. Als je energie hebt om je talenten te gebruiken, is dat geweldig.”

Naam: Dirk Neven
Leeftijd: 48
Standplaats: Protestante gemeente Nicolaïkerk Utrecht
“Het is jammer dat uit het onderzoek blijkt dat maar 14 procent van alle predikanten bevlogen is over missionair werk. Want op lange termijn is het voor de gezondheid van de kerk erg belangrijk. Onder missionair zijn verstaan we ook evangelisatie. Ik sta niet op een zeepkistje op het plein, maar we proberen wel naar buiten te treden als kerk. We besteden aandacht aan studenten, want daar hebben we er veel van in de gemeente. Het is belangrijk om tot de wereldkerk te behoren. Daarom zijn we nu bezig met een project van tien jaar waarin we gemeentereizen organiseren naar het buitenland. Volgend jaar gaan we naar Armenië. Ook staan West-Indië, Ethiopië en Rusland op het programma. Ik ga op elke reis mee en ik ben de aanjager. Zelf ben ik vooral bevlogen over het voorgaan en het pastoraat. Ook over kringwerk, filmavonden en lezingen die ik mede verzorg.
Ik ben minder bevlogen over de managementkant van mijn vak. Jongerenwerk scoort ook laag onder predikanten? Dat komt door de generatiekloof. Begrijpelijk, maar erg jammer. Als je geen aandacht besteedt aan hen, kun je net zo goed de zaak opheffen. In onze kerk hebben we niet veel jongeren. We zijn wel bezig om voor hen een nieuwe vereniging op te zetten. Ook lezen jongeren soms de Bijbel in de kerkdienst, ik houd rekening met ze in mijn preek en ik zoek ze achteraf op. Zo laat ik zien dat ik hun leefwereld begrijp en dat ik naast ze sta.”

Naam: Christien Crouwel
Leeftijd: 49
Standplaats: Protestante gemeente Nuenen
“Het ledenaantal in onze gemeente is constant, maar ik verwacht in de toekomst een daling. We zitten midden in het katholieke Brabant, en Nuenen is de sterkst vergrijsde gemeente van de provincie. Demografisch zit groei er niet in. We moeten het van import hebben, maar de huizen zijn duur. Daardoor is het niet makkelijk voor jonge gezinnen om zich hier te vestigen. En als jongeren 18 zijn, gaan ze weg om te studeren. We hebben wel een heel goede oecumenische samenwerking met de rooms-katholieke parochie. Zo kunnen we activiteiten grootser opzetten.
Ik vind dat groei nooit een doel op zich moet zijn. Dan kom je van een koude kermis thuis. Als kerk is het onze taak om mensen te bemoedigen, troosten en inspireren, met andere woorden: het evangelie te brengen. De hele Protestantse Kerk is bezig om zich te bezinnen op andere vormen van kerk zijn. Ik vind het erg belangrijk om niet te veel aan een kerkgebouw vast te zitten. Wie niet of wel tot de kerk behoren zal ook vloeiender worden. Velen komen even aanwippen, het is niet meer alles of niets. We bieden als gemeente gevarieerde activiteiten aan, zoals lezingen en debatten. Daar komen niet per se zondagsgangers op af. Dat hoeft ook niet. Het is beperkend om te denken ‘die mensen wil ik dan ook zondag in de kerk zien’. Daar gaat het niet om. Kerk zijn is zoveel breder dan alleen de kerkdienst op zondag.”

De geringe bevlogenheid die de predikanten aan de dag leggen voor diaconaal en missionair werk is opvallend