de Volkskrant | maandag 22 september 2014 | Ten Eerste | SANDER VAN WALSUM

Minder gelovigen, minder predikanten, minder inkomsten. Hoe moet de protestantse kerk het tij keren? In elk geval niet te veel concessies doen.

In de ontkerkelijkte samenleving lijkt voor de predikant het lot weggelegd dat ooit de turfsteker, de petroleumverkoper en de scharensliep heeft getroffen. Vandaag, op Predikantendag, wil de jubilerende Protestantse Kerk in Nederland (PKN) laten zien dat de beroepsgroep er nog is.

Binnen de PKN neemt het aantal ambtsdragers gestaag af: van 3.347 in 2006 tot 2.858 nu. Deze ontwikkeling houdt gelijke tred met de onverminderde daling van het aantal kerkleden. In 2007 waren dat er nog 2.267.220, nu zijn het er nog 2.026.006 – waarmee de PKN, zoals ze op haar site opmerkt, nog altijd meer leden telt dan alle voetbalverenigingen in Nederland samen.

De daling van het ledental – al jaren tussen 2,5 en 3 procent per jaar – vlakt niet af. Het samengaan van de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk in de PKN, in 2004, heeft hierin geen verandering gebracht.

De kerken stellen zich zelfs in op een ‘tweede seculariseringsgolf’: de ondervertegenwoordiging van de 0- tot 15-jarigen. De harde kern van gelovigen wist tot 2011 de inkomsten van de kerk behoorlijk op peil te houden. Sindsdien daalt de opbrengst van Kerkbalans, de jaarlijkse inzameling van donaties. In 2013 doneerden de PKN-leden krap 184 miljoen euro – 5,1 miljoen minder dan het jaar daarvoor.

Intussen experimenteert de kerk druk met nieuwe vormen van ‘georganiseerd geloof’ om twijfelaars binnenboord te houden of kerkverlaters tot een terugkeer te verleiden. Zo worden kerkdiensten gehouden in cafés. Onder de noemer ‘7keer7’ zijn brainstormsessies belegd van gelovigen en ongelovigen over de toekomst van het christendom in Nederland.

In Woerden is een kerk voor ongelovigen gesticht. De christelijke mannenbeweging De Vierde Musketier stelt zich te weer tegen de ‘feminisering’ van de kerk. Tijdens een ontmoetingsdag in Zwolle wedijverden de leden met elkaar in masculiene activiteiten, zoals het omgooien van auto’s.

Predikanten worstelen met de verhouding tussen vorm en inhoud van het geloof. Daarbij doet zich de paradoxale situatie voor dat de kerk als wijkplaats voor uitgeprocedeerde asielzoekers en als bron van 80 procent van het vrijwilligerswerk in Nederland midden in de samenleving staat, maar als gebedshuis onzichtbaar is voor niet-kerkelijken. Onder hen leeft weerstand tegen alles wat naar evangelisering riekt, zien de predikanten. Niet-kerkelijken houden er vaak een achterhaald beeld op na van wat er in de kerk gebeurt.

En ze zien, aldus de Apeldoornse dominee Sjoerd Muller, geloof vaak als een zwakte. Als ‘hulp van boven voor mensen die zichzelf niet kunnen redden’. Aan zijn collega Anne-Meta Kobes – predikant in Heerenveen – wordt wel de vraag gesteld: ‘Hoe erg geloof je?’

Ook kerkgangers zijn mentaal door de secularisering geconditioneerd. Ze gedragen zich vaak als veeleisende consumenten die, in de woorden van Muller, ‘in de kerkbanken plaatsnemen met een houding van: verbaas mij maar’.

En ze beheersen ‘de taal van het geloof’ vaak niet meer. De vraag waarvoor predikanten zichzelf zien gesteld, is in hoeverre ze daarmee rekening moeten houden. Hoeveel concessies ze moeten doen aan de samenleving die zich van de kerk heeft afgewend?

Onder predikanten valt vaak te beluisteren dat de kerk daarin te ver is gegaan en zichzelf soms heeft verloochend. Juist onder jonge predikanten lijkt sterk de opvatting te leven dat zij onbeschroomd over God moeten spreken en dat de kerk zich best wat zelfbewuster mag presenteren.

Al was het alleen maar omdat kan worden vastgesteld dat de terughoudendheid van de achterliggende decennia de kerk geen goed heeft gedaan.

‘We hebben te veel willen pleasen.’ Sjoerd Muller, de 32-jarige parttime predikant van de protestantse Wilhelminakerk in Apeldoorn zegt het alsof hij het over een voltooid verleden heeft. ‘We hebben, in de omgang met niet-gelovigen zo veel rekening gehouden met een afwerende reactie, dat we geen gas durfden geven. Niet kenbaar durfden maken waarvoor we staan. Maar daar zit een ondergrens aan. We zijn in Nederland, om mgr. De Korte te citeren, bijna in een staat van religieus analfabetisme terechtgekomen. We hebben geen woorden meer voor ons geloof. Daardoor is de kerk, en vooral de PKN, grotendeels uit het publieke domein verdwenen.

‘Je moet je als kerk niet leuker voordoen dan je bent. Natuurlijk: je kunt een beamer ophangen, je kunt andere muziek spelen en je kunt iets met Twitter doen, maar men doorziet feilloos of het gemeend is of een maniertje om mensen binnen te krijgen. Geloof je nog wat je predikt? Durf je jezelf op het spel te zetten? Dan komt een kerkdienst onder spanning te staan. En gooi die Bijbel weer open, die verhalen gaan ook over ons. Het is juist prettig om een plek te zijn waar gebeurt wat je mag verwachten.

‘De gemiddelde leeftijd van onze gemeente is 52. We zijn dus een vergrijsde gemeente, maar het woord betekent nog wat voor de mensen. En toch zie je hun frustratie: onze kinderen zitten hier niet meer.’

‘Toen ik acht jaar geleden begon met mijn studie, leefde nog schrik bij de kerk: help, we blijven maar krimpen – dat was het overheersende sentiment. De kerk is weer volop overtuigd van haar relevantie.’ In haar eigen gemeente in Heerenveen is het nieuwe elan haast tastbaar, zegt Anne-Meta Kobes (27), inmiddels predikant. ‘Hier is niet gewacht tot de kerk leeg was, maar zijn de drie protestantse gemeenten samengevoegd en is een nieuw gebouw betrokken. Daar zitten geregeld ook de bloedbank, een schaakclub en een grand café. Op zondag bezoeken 700 à 800 mensen de kerkdienst.

‘Ik begin niet snel over God als het antwoord op alles. De mensen weten dat ik predikant ben, daar verberg ik mij niet voor. Maar het heeft weinig zin om tien keer over God te beginnen als dat niet het startpunt van de mensen is. Het gaat er om dat ik bij hun levensvisie aansluit.

‘Ik heb niet de indruk dat de mensen problemen hebben met een 27-jarige vrouw als predikant. De gemeente heeft bewust gekozen voor een jonge vrouw. Natuurlijk, als ik een uitvaart verzorg, zie je de mensen weleens denken: wat weet zo’n meisje nu van de dood.

‘Maar als ik bij de preek dicht bij mezelf blijf en niet te veel blijf hangen in de soms afstandelijke tekstexegese, merk ik dat ik de mensen kan bereiken. Dat zijn echt kippevelmomenten.’

‘Predikant? Jij?’ Rolinka Klein Kranenburg (39), sinds zeven jaar predikant van de Veenkerk in Amersfoort Vathorst, ontmoet vooral welwillende verbazing als ze tegenover onbekenden haar beroep openbaart. ‘Dan merk je dat mensen vaak een volkomen achterhaald beeld hebben van ons ambt en van christenen in het algemeen. Je kunt hun dat niet eens kwalijk nemen, want de kerk is de laatste decennia bovenmatig bescheiden geweest. We hoeven toch niet rond te toeteren wat we allemaal doen? was de overheersende houding.

‘Ik kwam hier terecht in een nieuwe gemeenschap. Er was weinig waarop ik kon voortborduren. Er was niet eens een kerkgebouw. Nog steeds niet trouwens: we houden onze vieringen in een theaterzaal. In het begin kwamen we samen met een kleine groep, nu zit de zaal vaak vol. Mensen zijn ongeneeslijk religieus. Met de meeste kerkgangers onderhouden we een knipperlichtrelatie: voor hen is een viering een van de vele opties van de vrije zondag.

‘De kerkgangers zijn ook kritische consumenten: je moet elke zondag met iets speciaals komen. Het is een mooie uitdaging om het verhaal zo te brengen dat het binnenkomt. De bijbelse verhalen zijn niet zo bekend meer en kerkelijke taal kan bevreemdend werken. Als het me toch lukt om God ter sprake te brengen, verlaat ik de dienst doodmoe maar met een gevuld hart.’